FEDERATION CYNOLOGIQUE INTERNATIONALE (AISBL)

FCI-Standaard N° 187/20. 03. 2009/GB

PORTUGESE POINTER
(Perdigueiro Português)



VERTALING: Jos Dekker
ORIGINE: Portugal.
DATUM PUBLICATIE HUIDIGE STANDAARD: 04.11.2008.

GEBRUIK: Jachthond.
KLASSIFICATIE F.C.I.: Groep 7 Staande honden. Sectie 1.1. Continentale staande honden, type «Staande hond».
Met werkproef.

KORT HISTORISCH OVERZICHT: De Portugese Pointer is afkomstig van het Iberisch schiereiland, afstammend van de oude Iberische Pointer, een gemeenschappelijke voorouder van de andere Staande honden. Welke zich evolueerde door aanpassing aan het klimaat, terrein, het wild en door de selectie van de Portugezen hun eigen sociale cultuur, die ze al eeuwen fokte voor de jacht. Het ras behield zijn uiterlijke en functionele eigenschappen tot op de dag van vandaag.
Hun bestaan in Portugal kan worden teruggevoerd tot minstens de 12de eeuw. In de 14de eeuw waren ze bekend als de “Podengo de Mostra”, reeds de jachtcapaciteit van het voorstaan tonend. Ze werden gefokt in de koninklijke en adellijke kennels en gebuikt in de valkerij. Al in de 16de eeuw bekend als “Perdigueiro” (van “perdiz” het Portugese woord voor partrijs), werden ze regelmatig gebruikt door het gewone volk.
In het eerste kwartaal van de 20e eeuw begon een groep van fokkers en jagers met de beschrijving van de huidige kenmerken en verspreiding.

ALGEMEEN BEELD: Middelgrote hond, rechthoekig, type staande hond, krachtig maar een harmonieuze bouw gecombineerd met grote souplesse in gangen. Van opzij vormen de boven- en onderlijn een elegante belijning.

BELANGRIJKE VERHOUDINGEN: Vierkant of bijna vierkante lichaam. De schedel-voorsnuitverhouding is 6:4; schofthoogte tot borstdiepte is 2:1.

GEDRAG/TEMPERAMENT: Extreem vriendelijk en aanhankelijk; gehard, in staat tot groot uithoudingsvermogen en toewijding. Kalm en zeer sociaal maar enigszins arrogant naar andere honden. Van nature nieuwsgierig, werkt met volharding en vitaliteit. Altijd een hartstochtelijke jachthond die in nauw contact blijft met de jager.

HOOFD: In verhouding met het lichaam. Goed gebouwd en harmonieus in grootte, het lijkt groter dan het is. Iets omvangrijk, benig noch vlezig. Bedekt met losse dunne huid, zonder rimpels. In profiel rechthoekig en van voor vierkant. Schedel-voorsnuitbelijning samenkomend.
SCHEDEL GEDEELTE:
Schedel: Vierkant, van voor gezien bijna vlak van en van opzij iets gerond, de lengte hoort de 6/10 van het totale hoofd niet te overschrijden, dus 60% van het hoofd.
Voorhoofd van voor bijna vlak, hoog, breed en symmetrisch, iets gewelfd van opzij. Goed ontwikkelde wenkbrauwbogen. Brede en niet erg diepe voorhoofdsgroef. Nauwelijks waarneembare achterhoofdsknobbel.
Stop: Goed afgetekend (90°-100°).
VOORSNUIT GEDEELTE:
Neus: De hoek tussen neusrug en bovenlip is 90°. Neus goed gebouwd. Goed ontwikkeld met grote, natte en wijd open neusgaten. Zwart.
Voorsnuit: Recht en horizontaal, voldoende breed, over de gehele lengte dezelfde breedte, 4/10 van het hoofd.
Lippen: Hangende bovenlippen, vierkant van opzij, in een rechte hoek met de neusrug, de punt half rond van opzij; Van voor, een scherpe hoek vormend in de onderste rand; sluit zich aan bij de onderlippen in een losse mondhoek zonder te hangen. Normaal gevormde mond met onregelmatig gepigmenteerde (slijmvliezen) membranen, moet gewoon sluiten om een normale overlapping van de bovenlip mogelijk te maken.
Kaken/Gebit: Gezond, correct en volledig gebit, met schaargebit.
Wangen: Parallel. Nauwelijks waarneembare voeg, met opgevuld speekselkliergebied (m.a.w. goed opgevuld onder het oor).
Ogen: Expressief, levendig, bruin, donkerder dan de vachtkleur; ovaal neigend naar rond, vrij groot maar niet te groot, recht geplaatst en oogkas goed opvullend. Dun en wijd open oogleden, met zwart pigment.
Oren: Aangezet boven ooghoogte op het achterste gedeelte van het hoofd, hangend, bijna vlak oppervlak met één of twee lengte vouwen bij attentie, driehoekig, veel breder aan de basis dan aan de uiteinde in een verhouding van 2½ tot 1, met ronde punt. De oorlengte moet iets langer zijn dan de die van de schedel. Dun, glad, bedekt met dun, dicht en zeer kort haar

HALS: Recht, het bovenste derde deel licht gebogen, lengte niet minder dan de lengte van het hoofd, niet zeer dik en breed en met een korte keelhuid aan de hals. Het moet sierlijk aansluiten bij het hoofd in een hoek van ongeveer 90º en de overgang tussen nek en lichaam mag niet abrupt zijn.
LICHAAM:
Topline: Recht, licht oplopend van croupe tot schoft.
Schoft: Niet erg hoog.
Rug: Kort, breed, recht en licht aflopend naar de lendenen waarop het goed aansluit.
Lendenen: Kort, zeer breed, met sterke bespiering, iets gewelfd en goed verbonden met het kruis.
Croupe: Evenredig breed met de lendenen, harmonisch gebouwd met een iets schuine lijn licht neerwaarts.
Borst: Diep en breed, met goede borstbreedte, meer ontwikkeld in lengte en diepte dan in breedte, reikend tot de ellebogen. Bovenste gedeelte ribben goed gewelfd en zeer breed. Kijkend naar de omvang en de doorsnede, lijken de borst en naastgelegen ribben hoefijzervormig beide uiteindes weerszijde samenkomend bij het borstbeen.
Onderbelijning en buik: Licht oplopend van borstbeen tot lies. De slanke buik sluit zich in een optrekkende boog aan bij de heup; de afstand tussen de heup en de laatste ribben maken de lendenen kort en goed verbonden.
STAART:
Natuurlijk: Middelmatig lang, niet onder de hak reikend. Recht, van gemiddelde aanzet, dik aan de basis en iets toelopend naar het uiteinde. Goed aangezet in perfecte voortzetting van de croupe. In rust natuurlijk hangend, maar nooit tussen de dijen. Bij het gaan stijgend tot de bovenbelijning of iets daar boven maar nooit verticaal of sikkelvormig. Heen en weer kwispelend.
Gecoupeerd: In staat de genitaliën te bedekken zonder er voorbij te komen.

VOORHAND: Van voor recht en perfect parallel. Van opzij rechtop en de indruk gevend van grote stabiliteit, steun en van nature makkelijk bewegend.
Schouder: Lang; gemiddeld teruggelegen, goed aangezet en vrij sterk gespierd. Hoeking schouder-opperarm 120º.
Opperarm: Dicht tegen de borst. De lengte gelijk aan het schouderblad en evenredig gehoekt.
Elleboog: Gescheiden van de borst door de oksel, droog, goed laag, gelijke afstand tot middenlijn lichaam, in- noch uitdraaiend. Hoek opperarm-spaakbeen 150º.
Bovenarm: Vrij van het lichaam, lang, recht en van voor en opzij gezien loodrecht met de grond.
Polsgewricht: In perfecte voortzetting van de bovenarm.
Middenvoet: Breed, licht hellend.
Voorvoet: In verhouding met formaat van de poten, neigt eerder rond te zijn dan lang, zonder op een kattenvoet te lijken. Goed gevormde tenen, stevig, gelijkmatig en robuust goede steun gevend. Sterke en goed ontwikkelde voetzolen, met zwarte, dikke, harde en stevige huid. Nagels sterk, hard en bijvoorkeur zwart.

ACHTERHAND: van achter gezien recht en perfect parallel met de middenlijn van het lichaam, met normale rechtheid van opzij.
Dij: Lang, breed, goed gespierd. Billen gevormd min of meer als duidelijke rondingen, lang en met een licht elastische bespiering. Hoek heup-dijnbeen 95º.
Knie: Iets onder de buik, maar niet te ver ervan af. Iets prominent en licht uitdraaiend. Hoek dijbeen-scheenbeen 120º.
Tweede dij: Goed geplaatst, de lengte in verhouding met de lengte van het dijbeen, de schuinheid moet in verhouding zijn met de helling van de croupe.
Hak: Voldoende open en goed geplaatst, droog, breed en dik. Hoek scheenbeen-voetwortel 145º.
Middenvoet Gemiddeld hoog, verticaal, bijna rond, gelijkmatig dik en slank.
VOET: Identiek aan de voorvoet, maar iets langer.

GANGEN: Normaal uitgrijpend, makkelijk en elegant. Veelzijdig in zijn werk en zeer geschikt voor divers terrein, weer en wild, het gangwerk wisselt tussen een simpele onderbrekende galop en een langdurige, makkelijk en ritmische draf

VACHT
HAAR: Kort, hard, gesloten, stug en dicht, bedekt het lichaam gelijkmatig, met uitzondering van de oksels, lies, omgeving anus en geslachtsdelen waar het spaarzamer en zachter is. Het is dunner en korter op het hoofd, vooral op de oren, die fluweelachtig lijken. Zonder ondervacht.
KLEUR: Geel van lichte, middelmatige of donkere schakering, geheel of met witte aftekeningen op het hoofd, hals, borst, onderbenen, onder de ellebogen en hakken en indien ongecoupeerd punt van de staart.

HOOGTE EN GEWICHT:
Schofthoogte: Reu: 56 cm ± 4 cm. Teef: 52 cm ± 4 cm.
Gewicht: Reu: 20-27 kg. Teef: 16-22 kg.

FOUTEN: Elke afwijking van het voorgaande moet worden gezien als een fout en de zwaarte ervan moet in verhouding staan tot de ernst en het effect op de gezondheid en het welzijn van de hond.

FOUTEN:
• Gedrag: Verlegenheid.
• Hoofd: Schedel/voorsnuit verhouding iets afwijkend van 6/4. Smal. Prominente achterhoofdsknobbel. Zeer ontwikkelde jukbeenderen. Uitgesproken voorhoofdsgroef. aanwezigheid van rimpels.
• Neus: Elke kleur anders dan zwart.
• Voorsnuit: Kort of lang.
• Lippen: Bovenlip niet vierkant. Mondhoek niet waarneembaar. Incorrecte pigmentatie van de slijmvliezen.
• Gebit Tanggebit.
• Ogen: Klein, licht, uitdrukkingsloos; te rond.
• Oren: Middelmatig hoog aangezet, zeer groot of zeer klein, puntig uiteinde.
• Hals: Te kort. Zonder keelhuid of teveel keelhuid.
• Lichaam: Slecht ontwikkelde borst.
• Staart: Van nature te kort, te laag aangezet of atypisch gedragen (verticaal of sikkelvormig).
• Benen en voeten: In- of uitgedraaid, spreidvoeten.
• Vacht: Zacht haar.

ERNSTIGE FOUTEN:
• Gedrag: Te verlegen.
• Hoofd: Verhouding schedel-voorsnuit zeer afwijkend van 6/4. Bijna geen aangeduide stop, parallelle schedel-voorsnuit belijning.
• Voorsnuit: Hellend.
• Ogen: Schuin. Scheelheid (loensend).
• Oren: Vlezig, laag aangezet, overdreven gevouwen of gedraaid.
• Lichaam: Zadel of gebogen toplijn. Croupe te hellend. Lichaam te lang, ronde borst. Opgetrokken buik.
• Vacht: Witte aftekeningen buiten de door de standaard omschreven gebieden.
• Grootte: Overmaats of ondermaats.

ELIMINERENDE FOUTEN:
• Gedrag: Agressief of overmatig schuw.
• Hoofd: Atypisch met gebogen voorsnuit, te lang of te kort, schedel te smal. Schedel-voorsnuit belijning uiteenlopend.
• Neus: Totaal gebrek aan pigmentatie.
• Kaken: Over- of bovenbeet.
• Ogen: ongelijk van vorm of grootte, verschillend van kleur. Glas oog, aangeboren blindheid.
• Doofheid: aangeboren of verworven.
• Lichaam: Volledig atypisch, tekenen van kruisingen met andere rassen tonend.
• Vacht: Anders dan rastypisch.
• Kleur: Albinisme. Elke kleur anders dan beschreven.

Elke hond die duidelijke fysieke- of gedragsabnormaliteiten vertoont zal worden gediskwalificeerd.

N.B.: Reuen dienen twee duidelijke volledig in het scrotum ingedaalde normale testikels te hebben.


Back to my homepage